Soms vraag ik mij af waarom we steeds terugkeren naar het begin; waarom we zoeken naar die ene draad die misschien, wanneer we eraan trekken, het tapijtwerk dat we ons leven noemen zal doen ontrafelen, in de hoop dat we daarachter de waarheid van het waarom zullen vinden. Maar er is geen waarheid. Er is alleen dat waarom. En als we goed kijken, zien we dat er achter dat waarom alleen maar een ander tapijt ligt. En daarachter nog een, en nog een, tot we in de vergetelheid belanden.
-
In god geloofde hij maar half, maar in bidden helemaal, in de kracht van een gedeelde wens.
-
Wanneer ik nu, aan het andere eind van het leven, opnieuw achterin zit bij hedendaagse literaire en kunstzinnige evenementen, die veel lijken op de kerken van vroeger,oude rituelen omnieuw aaangekleed, met hun onvoorwaardelijke onderwerping aan nieuwe orthodoxieën en hun verachting voor al het andere, wat velen prettig vinden, een en al brute banvloeken en dweperigie zelffelicitaties die velen noodzakelijk achten, drijven mijn gedachten af.
-
Bij alles legde hij de nadruk op zachtaardigheid, vriendelijkheid, en een zekere terughoudendheid. Soms, op aandringen van mijn moeder, legde hij mij of mijn zus over de knie om ons te straffen als we stout waren geweest, tilde zijn hand op om een klap op onze billen te geven, en huiverde dan. Zelfs nu nog voel ik het trillen van mijn vaders lichaam, die gigantische, onbekende maar wel begrepen geschiedenis die tegen me aan vibreerde, de onzegbare maar duidelijk doorgegeven betekenis. Almaar door huiveren, tot hij me weer rechtoo zette en wegliep, terwijl wij achter zijn rug zijn gehuiver en getril nadeden en hem stilletjes uitlachten.
En ook dat stond hij toe, dat wij, zijn kinderen, zijn kracht als zwakheid bespotten.
-
Maar zelfs toen al werd het regenwoud aangetast. Binnenkort zal het pokdalig zijn, vol verspreide melanomen van koeienveldjes, dennen- en eucalyptusplantage en schurftige brandplekken, om van de algehele, groeiende idioterie nog te spreken; wegen die nergens heen leiden, toeristenresorts, mijnen waar niemand werkt en overvolle Insta-sites dankzij geotags. Maar vergeleken met wat komen gaat is dat alles nog niet eens zo erg.
De komende decennia zal het minder gaan regenen, eerst onmerkbaar, daarna drastisch, en wat er over is van het regenwoud zal langzaam uitdrogen en afsterven. Even nog zullen de mirtes, varens en schimmels wenend uit hun littekens wankelend boven het woud uittorenen, bejaarde toneelspelers die een laatste buiging maken, des te meeslepender door de dramatische achtergrond van nog altijd dichtbeboste, steile kloven en bergkammen.
En daarna zullen ze in brand vliegen.
De ingewikkelde, talrijke, wonderbaarlijke verhoudingen, die samen het Tasmaanse regenwoud vormen, een uiterst precieze warreling van boom, varens, mos, schimmel, en microbe, van dier, vogel en insect, vis en ongewervelde, die misschien beter beschreven kan worden als een onbekende beschaving, zal net als deze woorden niets meer zijn dan het verloren wrakhout van de tijd.
Een stille revolutie zal alles wegvagen, een parade van anonieme zakenlui, investeerders, economen en politici die de Robespierres, Lenins en Khomeini's zullen zijn, die alles vernietigen. waar een ziel - de mijne in ieder geval - ooit zin en weerklank uit heeft kunnen putten. Zo'n grote misdaag verdient een grote misdadiger, miet al die makkelijk vergeten kleintjes.
Hoe dan ook zal er alleen een natte grindwoestijn overblijven, met hier en daar moelen dood water, hopen as en afvaldammen, verkoolde boomstronken en opengereten gaten, roestende boortorens, kranen en bijgebouwen, bakstenen en golfplaat waar ooit vrouwen in de aanhoudende regen en kou de was deden, hopen afval weerspiegeld in donkere, giftige plassen, verzadigd van zware metalen, zuur en venijn. Maar van die vernietigde beschaving niets.